Van oorsprong afkomstig uit de prairies en bosranden van Noord-Amerika, maakte Silphium perfoliatum deel uit van de inheemse flora bezocht door talrijke bestuivende insecten en vogels.
Beschreven in de achttiende eeuw (Linnaeus, 1759), trok ze al snel de aandacht door haar indrukwekkende gestalte en haar nectarproducerende eigenschappen.
Oorspronkelijk hoofdzakelijk wilde en sierlijke plant, werd ze in Europa — vooral in Duitsland — herontdekt vanaf de jaren 1990–2000 als energieplant voor de voeding van vergisters, als alternatief of aanvulling op kuilmaïs.
Haar voederswaarde (vergelijkbaar met luzerne, met een proteïnegehalte dat 10–12 % van de droge stof kan bereiken) en haar droogtebestendigheid overtuigden vervolgens veehouders en landbouwkundigen in Frankrijk, België en andere Europese landen.
Vandaag wordt silphium bestudeerd voor:
- de productie van biomethaan (meerjarige biomassateelt),
- veevoer (kuilvoer, aanvulling op weilanden en vlinderbloemigen),
- bodembescherming (anti-erosie, bodemstructuur),
- biodiversiteit (nectarplant, natuurlijke drinkplaats voor fauna),
- fytozuivering en CO₂-opslag (via haar wortelstelsel en wortelstokken).